17 mei 2018

Kathleen van Brempt en de kunst van het citeren


EU-parlementslid Kathleen van Brempt schreef een antwoord op de kritiek die Bart De Wever had op de EU – die zij verkeerdelijk ‘Europa’ noemt, zoals in die kringen gebruikelijk is te doen.
Lezen we eerst haar tekst:

‘Tot slot vergeet de burgemeester van Antwerpen dat zijn grote voorbeeld Burke een van de eerste denkers was die wel degelijk belang hechtte aan Europese eenheid. Burke sprak in zijn tijd al over Europa als een ‘internationale gemeenschap’ die hij niet de Europese Unie noemde, maar de Europese Commonwealth. Hij erkende niet enkel het bestaan van een Europese samenleving, maar ontwaarde er een onderliggend gevoel van gemeenschap in en ging zelfs zo ver om Europa te portretteren als ‘virtueel een grote staat’, met ‘wat diversiteit aan provinciale gebruiken en lokale bijzonderheden.’ Met de Europese Unie zijn we dat beeld dat Burke van Europa had eindelijk vorm aan het geven.’

Bekijken we nu de tekst van Burke, niet uit zijn bekende Reflections on the Revolution in France, maar uit Letters on a Regicide Peace, verschenen in 1796, een jaar voor zijn dood:

There have been periods of time in which communities, apparently in peace with each other, have been more perfectly separated than, in later times, many nations in Europe have been in the course of long and bloody wars. The cause must be sought in the similitude in Europe of religion, laws, and manners. At bottom, these are all the same. The writers on public law have often called this aggregate of nations a Commonwealth. They had reason. It is virtually one great state having the same basis of general law; with some diversity of provincial customs and local establishments. The nations of Europe have had the very same Christian religion, agreeing in the fundamental parts, varying a little in the ceremonies and in the subordinate doctrines.

Ik vertaal hem even:
Er zijn perioden geweest dat volksgemeenschappen, ogenschijnlijk vreedzaam samenlevend, vollediger van elkaar gescheiden waren dan veel Europese naties naderhand in de loop van lange en bloedige oorlogen. De reden daarvoor moet gezocht worden in de gelijkenis die Europa vertoont wat betreft religie, wetten en gebruiken. In wezen zijn die allemaal dezelfde. Auteurs over publiekrecht hebben dit aggregaat van landen vaak een Commonwealth genoemd.  Ze hadden redenen daartoe. In de grond is het één grote staat op basis van gedeelde wetsbeginselen, met enige diversiteit in de streekgebruiken en plaatselijke instellingen. De naties van Europa hebben altijd dezelfde christelijke religie gekend, en over de wezenlijke bestanddelen ervan waren zij het eens, met kleine variaties in de erediensten en in de ondergeschikte leerstellingen.

Je zou kunnen zeggen dat bij Kathleen van Brempt “provincial” nogal machinaal vertaald werd als “provinciaal”, maar dat is een detail. “Establishments” vertalen met “bijzonderheden” is dat al minder. En "virtually" is niét "virtueel" ... de Oxford geeft: as far as essential qualities or facts are concerned; in effect, practically, to all intents, as good as. De OED kent nog geen EU-Engels... Google translate wellicht wel.
Ach, wat geeft het? de bedoeling was goed... "virtueel" klinkt als "in wording", of, zoals van Dale zegt: "vrijwel zeker, maar nog niet helemaal gerealiseerd". Mooi toch?

Maar ter zake nu: Burke noemt een constituerend element van Europa, dat de brave en gehoorzame van Brempt om begrijpelijke redenen niét noemt. 
Burke schrijft 'religion, laws, and manners' in die volgorde, en geeft dus eerst de religie aan als gemeenschappelijk element. Weinigen zullen dat betwisten, maar de EU wilde onder geen beding een verwijzing naar het christendom. Dat ze daarmee de Europese geschiedenis loochenden raakte Giscard en Dehaene niet. Wel bewezen zij in hun onschuld dat de EU en Europa twee to-taal verschillende dingen zijn, hoe vaak en hoe huichelachtig men die begrippen ook wil laten samenvallen.

Kathleen van Brempt: het is geen intellectueel eerbare houding om dingen achter te houden en enkel te citeren wat in het EU-kraampje lijkt te passen, en het is een Europese atheïst die u dat vertelt. En dat die EU zou werken aan een beeld van Europa dat Burke voor ogen stond, is helemaal een lachertje. Ik daag u uit om bij Burke één passage te vinden waar hij een supranationaal gezag voorstaat.

15 mei 2018

De Fransen zullen Macron niet zo snel weghonen als Hollande.


Le peuple,’ zei Rivarol ‘ne voulait pas la Révolution, il n'en voulait que le spectacle.’ Het volk wilde niet de Revolutie, alleen het schouwspel ervan. Een mooie opmerking, en ze geldt nog.

Een eigentijds schouwspel is het politieke debat, en in Frankrijk meer dan elders. Er vallen geen doden bij, de acteurs spelen hun rol en verkopen esprit, briljant soms, maar dat neemt niet weg dat er al eens een waar woord valt. Bij ons gaan je tenen krullen van verveling maar in Frankrijk maakt een half zinnetje soms een kwartier goed.

Te gast bij Natacha Polony en Élisabeth Lévy in hun «Droit de question!» – eerstgenoemde is een bekende radio- en tv-commentatrice en de tweede is hoofdredactrice van het blad Causeur – te gast waren dus Jean-François Kahn, oprichter van Marianne, nu schrijvend voor de Huffington Post, en Basile de Koch, auteur en chroniqueur bij datzelfde Causeur. Ze vroegen zich af of ‘links’ nog een toekomst had na de catastrofale verkiezingen. Vanzelfsprekend kwam er geen antwoord op die vraag, een voorwendsel om wat te babbelen tenslotte en geen mens die een antwoord had verwacht, maar toch beviel het gesprek me. Vooral om één klein half zinnetje van Basile.

Élisabeth Lévy: Eerst dit: over Macron hebben we nog maar heel weinig gezegd. Heeft Macron, door een deel van links op te slorpen, de tegenstelling links-rechts niet als achterhaald weggezet?
Basile de Koch: Is het niet eerder andersom? Is het niet de opeenstapeling van de vadsige koning Chirac, van de hysterische Sarkozy en van mijnheer niemendal Hollande die er ten slotte voor heeft gezorgd dat rechts is leeggelopen, dat links is leeggelopen? Dat was toch dienstig om president Macron aan de macht te brengen, lijkt me.
Élisabeth Lévy: Hij heeft dan wel de helft van de PS bijeengeschraapt, en de helft van de UMP.
Basile de Koch: Men moet de zaken in de juiste volgorde zien, voorzitster! Vanaf het moment dat Sarkozy is afgegaan, en Hollande is afgegaan, mag je toch zeker zeggen dat de rechtse kiezers en de linkse kiezers een beetje de moed hebben laten zakken, als er dan op de tijd van één maand een eikel arriveert die zegt: ik ben niet enkel jong en mooi, maar daarbij nog eens rechts én links, je hebt maar te kiezen…
Élisabeth Lévy: ’t Is waar.
Basile de Koch: …zoiets kan werken.
Jean-François Kahn: En een zaak die we ook niet mogen vergeten is dat hij 24% haalde. En tussen haakjes, die 24% was…
Basile de Koch: Ja, in de eerste ronde al.
Jean-François Kahn: …was wel bezien het latente centristische kiespubliek, aan welk men een bipolariteit heeft opgelegd waarvan het niet wilde weten. En door de institutionele dwang [door het kiessysteem] werd hen dus belet stelling te nemen, zich uit te drukken, en toen ze de mogelijkheid daartoe kregen, kwamen ze uit op 24%.
Basile de Koch: Nu dacht ik dat het 25% was. U hebt zich voor één procent vergist ziet u…
Élisabeth Lévy: Dat is heel goed, een heel goede [xxx].
Jean-François Kahn: Gewoon kijken volstond. Maar ik herhaal wat ik daarstraks heb gezegd: het ware probleem waar we mee te… u zult zien, is dat er vandaag een linker- en een rechterzijde bestaat, meer dan ooit. Maar een rechts…
Natacha Polony: Bent u zeker dat we vandaag een linker- en rechterzijde zien?
Jean-François Kahn:  Nee, die rechterzijde is radic… is laten we zeggen een karikaturale rechterzijde, en de linkerzijde is [xxx].
Basile de Koch: En een karikaturaal centrum.
Jean-François Kahn: Ja, dat ook. Een karikaturaal centrum komt voor, dat hebben we gezien onder de Vierde Republiek maar...
Basile de Koch: Nu is die wel aan de macht…
Jean-François Kahn: …maar dat lag anders.
Basile de Koch: …maar niet zonder elegantie.

Dat laatste is nog belangrijker dan wat voorafging: Fransen willen graag een presentabele president, iemand waarmee je voor den dag kunt komen, 'un type sortable'. Niet zo'n gefrustreerde Sarkozy, of een Hollande op een scootertje.



«La gauche a-t-elle un avenir?»  (na 1u09'50")

Élisabeth Lévy: La première chose : on a très peu parlé de Macron. Est-ce que Macron – en absorbant disons une partie de la gauche – n’a pas, disons rendu le clivage droite-gauche caduc?
Basile de Koch: Est-ce que c’est pas l’inverse ? Est-ce que ce n’est pas l’empilement du roi fainéant Chirac, de l’hystérique Sarkozy, et de monsieur rien du tout Hollande, qui a fait que finalement la droite s’est dégonflée, la gauche s’est dégonflée ? Et ça, ça a été quand même utile pour faire arriver au pouvoir le président Macron il me semble.
Élisabeth Lévy: Il a quand même ramassé la moitié du PS et la moitié de l’UMP.
Basile de Koch: Il faut faire …il faut voir les choses dans l’ordre, présidente ! À partir du moment où, bon, Sarkozy a foiré et Hollande a foiré, et bien c’est sûr que les électeurs de droite et les électeurs de gauche …ils sont un peu découragés quant à un gland qui arrive en un mois en disant non seulement je suis jeune et beau, mais en plus je suis et de droite et de gauche, et t’as qu’à voir…
Élisabeth Lévy: C’est vrai.
Basile de Koch: …ça peut marcher.
Jean-François Kahn: Et un fait qu’il ne faut pas oublier non plus c’est qu’il a fait 24%. Et 24%, entre parenthèses…
Basile de Koch: Oui mais dès le premier tour.
Jean-François Kahn: …c’était en vérité l’électorat centriste latent, à qui on a imposé une bipolarité dont il ne voulait pas. Et donc par la violence institutionnelle, on les empêchait de se prononcer, de s’exprimer, et quand ils ont eu la possibilité de s’exprimer ils se sont retrouvés à 24%.
Basile de Koch: Moi je croyais qu’il avait 25, vous voyez que vous vous êtes trompé d’un pourcent.
Élisabeth Lévy: C’est très bien, très bonne [évaluation?].
Jean-François Kahn: Il suffisait de voir. Mais je vous répète ce que j’ai dit tout à l’heure : le vrai problème auquel on a eu… vous allez voir, c’est qu’aujourd’hui il y a la droite et la gauche, il n’y en a jamais eu autant. Mais une droite…
Natacha Polony: Vous êtes sûr qu’il y a la droite et la gauche aujourd’hui?
Jean-François Kahn: Non, c’est une droite radic… une droite caricaturale disons, et une gauche [xxx],
Basile de Koch: Et un centre caricatural.
Jean-François Kahn: Oui, aussi, ça existe un centre caricatural, on l’a vu pendant la Quatrième République…
Basile de Koch: Là, c’est au pouvoir…
Jean-François Kahn: …mais c’est pas la même chose.
Basile de Koch: …mais non sans élégance.

14 mei 2018

De politieke klasse komt niet meer uit haar woorden


In Le Figaro lezen we over de radeloosheid en de schrik van de politici, waardoor ze de juiste termen niet meer vinden, en zich dan verliezen in debiele vergelijkingen. Ook Macron is heel bang (de altijd vals gebruikte term 'islamofobie' is op hem wel degelijk toepasbaar).


Macron moet het islamistische terrorisme bij zijn naam noemen!
Ivan Rioufol

Neen, Emmanuel Macron is wat betreft het islamistische terrorisme niet tegen zijn taak opgewassen. Zijn keuze om zijn weekend in Brégançon (Var) niet in te korten, heeft laten verstaan dat hij de steekpartij zaterdagavond in Parijs (in de buurt van de Opéra) relativeert. Een jonge Fransman vond de dood, onder de messteken van een ‘landgenoot’ van Tsjetsjeense afkomst. Vier mensen raakten gewond, twee daarvan ernstig. In twee tweets van 12 mei heeft het staatshoofd ‘een terrorist’ aangewezen, en daarna schreef hij: ‘Frankrijk wijkt geen duimbreed voor de vijanden van de vrijheid.’ Op geen enkel moment heeft de president het islamistische karakter van de moord willen noemen, al werd ze gepleegd met de kreet Allah Akbar.
De avond daarvoor nochtans had hij het nationalisme al onbeschroomd zijn vijand genoemd: ‘Om de nationalisten te verslaan: Europese solidariteit op zich nemen.’ Om de islamisten te verslaan is het blijkbaar nog even wachten op het Élyséese recept. En dat zal nog een tijdje uitblijven, want Macron is er zichtbaar beducht voor om een totalitaire ideologie voor het hoofd te moeten stoten.
Tegelijk had minister van Binnenlandse Zaken, Gérard Collomb het zaterdag over een ‘overval’, alvorens dan toch de juiste term ‘aanval’ te gebruiken. En Jean-Michel Fauvergue, verkozene voor La République En Marche!* en voorheen hoofd van de RAID,** waagde het in een televisiedebat zelfs om de Arabische prediking in de moskeeën te vergelijken met de Latijnse preken in de kerken…***
Kortom, wat uit deze enkele voorbeelden naar voren komt, is de wil om het islamitische terrorisme te banaliseren en het als onontkoombaar voor te stellen. Een dergelijke houding van zelfverloochening is heel wat gevaarlijker dan de oorlog die de veroveringsislam aan Frankrijk heeft verklaard.

­­­­­­­­­­––––––
* De ‘beweging’ van Macron.
** Elite-eenheid van de Franse politie: men koos die naam om zijn Engelse betekenis van militaire aanval, maar naderhand interpreteerde men hem als acroniem voor Recherche, Assistance, Intervention, Dissuasion (ontrading).
*** Waar in Frankrijk ergens in het Latijn gepredikt wordt is me onbekend. Dat deed zelfs kardinaal de Retz in de zeventiende eeuw al niet meer.

9 mei 2018

Een kop die een mens aan het denken zet


Op de site van de Libre Belgique las ik een kop die mijn aandacht trok – daar zijn koppen ook voor bedoeld. Toch voel ik me niet geneigd om het hele artikel van hun journaliste Maria Udrescu te lezen. Misschien is dat verkeerd, want koppen geven vaak een beeld dat niet overeenstemt met de inhoud eronder. Maar ik begrijp deze kop niet en vrees nu dat ik het artikel zelf nog minder zal begrijpen.

Een onbegrijpelijke tekst lezen doe ik nochtans soms met plezier. Zo heb ik bladzijden uit de Statenvertaling gelezen waar ik geen barst van verstond, en ook Heidegger had wat dat betreft zijn charmes. Maar nu die kop:
Les populistes ont besoin que les migrants soient là pour dire qu'il ne faudrait pas qu'ils soient là, zegt die kop van de Libre. Ik zou hem willen vertalen als: De aanwezigheid van migranten is voor populisten een noodzaak, om hen te laten zeggen dat die er niet mogen zijn. Of: populisten hebben migranten nodig om te kunnen zeggen dat ze er niet mogen zijn.

Hier moet een stijlfiguur in het spel zijn: het paralogisme – een valse redenering, een sofisme dus, maar dan te goeder trouw.
André Gide schrijft ergens dat hij God niet dankbaarder kan zijn omdat hij hem geschapen heeft, dan hij het hem kwalijk zou kunnen nemen als hij, Gide, niet bestond. Grappig, maar je voelt dat er iets hapert, er is iets ‘onlogisch’.

Vele jaren geleden leverde ik slechtbetaald zwartwerk in een repetitorenbureau, waar ik de cursus logica van Apostel uitlegde aan studenten die schrik hadden voor dat examen. In die dikke cursus stonden dingen over bijvoorbeeld de ‘existentiële operator’: er is minstens één element zus of zo. Maar ‘avoir besoin de’ en ‘falloir’ zijn moeilijke begrippen: er moet minstens één migrant zijn om... enzovoort.

Intussen weet ik niet meer hoe zulke dingen economisch in symbooltjes om te zetten… misschien omdat naast de propositielogica hier de modale logica begint te spelen, en die viel ook destijds al buiten mijn bestek. Anderzijds behoren 'moeten' en 'nodig zijn' juist niet tot de modale logica. Ik moet passen.

Mogelijk kan een echte logicus 
die kop van de Libre netjes formaliseren? Ik denk hier aan stadsgenoot Jean Paul Van Bendegem, want dingen in symbooltjes en vergelijkingen omzetten is vaak het moeilijkste stuk van de logica, moeilijker dan een formule toepassen.

7 mei 2018

Eric Zemmour veroordeeld voor een opiniedelict


Het Franse blad Causeur heeft een interessant artikel van Anne-Sophie Chazaud, over een onderwerp dat aan de aandacht van onze goede pers zou kunnen ontsnappen, en daarom vertaal ik daaruit enkele alinea’s. Je weet nooit of het zo hun aandacht niet tóch zou kunnen trekken.

Eric Zemmour werd op 3 mei veroordeeld door het Parijse hof van beroep [Cour d’appel] wegens oproepen tot religieuze haat. In 2016 had de journalist in het televisieprogramma «C à vous» [nu is het aan u] namelijk gezegd dat Frankrijk “al dertig jaar een invasie beleefde”, en dat er zich “in talloze Franse banlieues* waar vele meisjes gesluierd gaan, een strijd afspeelde om het grondgebied te islamiseren.”
Als vaste klant van processen rond politieke en morele hekserij, werd de essayist en polemist Eric Zemmour in beroep veroordeeld nadat hij over de islam uitspraken had gedaan die blijkbaar ondraaglijk waren voor de heersende geestgesteltenis van censuur, met haar gewapende gerechtelijke arm.
Het doet er weinig toe of men het eens is of niet met de politiek incorrecte en openlijk godslasterlijke zienswijze die de auteur van Le Suicide français voorstaat.
De echte vraag die dit zoveelste opinieproces stelt, is waar de vrijheid van meningsuiting aan toe is in een land dat daar weliswaar hoog van opgeeft, terwijl het wat dat betreft nochtans een rampgebied is, in die mate dat men zich zorgen moet maken over de democratie en de fundamentele vrijheden.

Anne-Sophie Chazaud heeft het ook over een ‘juridische jihad’ en ze klaagt daarbij aan dat de nonsens-term ‘islamofobie’ door de goede pers klakkeloos is overgenomen na de uitspraak van het hof:

Deze term werd door de belangrijkste media, gaande van de Figaro over Le Monde tot L’Express overvloedig herhaald zonder ook maar het minste onderscheidingsvermogen of enige kritische afstand, terwijl men intussen toch weet hoezeer dit ‘concept’ een democratisch en intellectueel misbaksel is, en het valt niet te zeggen of de mainstream pers dit vanwege een gebrek aan cultuur deed, of vanwege bêtise,* of door een laffe ideologische ratificering van wat onaanvaardbaar is.

Die nonsens-term heeft mogelijk het arrest gestuurd, maar wat naar mijn mening in het achterhoofd van de rechters speelde was een andere uitspraak van Zemmour, in hetzelfde programma. Rechters houden zich vanzelfsprekend aan de wet, maar moeten die onvermijdelijk ook interpreteren, en Zemmour zei daarover dit : In naam van de rechtsstaat respecteren de rechters vandaag de wil van het volk niet meer. 
Dat kon, onbewust natuurlijk, ook wel eens flink meegespeeld hebben:




––––––––
heeft dit woord, en verklaart: (verzamelnaam) de gezamenlijke voorsteden, vaak met de bijgedachte aan verpaupering, etnische en sociale problemen. Ook bêtise is door het woordenboek geconsacreerd.

27 april 2018

Franse toestanden in België



Hengelaars hebben gewoonlijk 
een deugdelijke maatstok bij zich

In een Ipsos-document, een onderzoek in 23 landen, zie  ik dat België in een bepaald vak primus van de klas is. Achtenzestig Belgen op honderd antwoordden met ‘ja’ op de vraag: ‘Denkt u dat religie in de wereld meer kwaad doet dan goed?’ Daarmee laten we de rest van de leerlingen een eind achter ons.

Nu kun je twijfels hebben bij zulke enquêtes, want er waren alles samen 17.401 ondervraagden, tussen de 16 en 64 jaar, en als we 17.401 door 23 delen, hebben we afgerond 757 geënquêteerden per land. Hopelijk ondervroeg ter wille van de foutenmarge Ipsos een wat ruimere groep in Indië met zijn miljard jonge inwoners, dan in België met zijn kleine bevolking waarvan bovendien een groot deel boven de leeftijdsgrens zit.

Naar mijn mening kon bijvoorbeeld niet gevraagd worden, en ik zou nog veel mensen uit mijn omgeving kunnen noemen die in hetzelfde geval verkeren, maar een neutrale steekproef wil ik dat niet noemen.
Overigens had ik die vraag hoogstens aarzelend kunnen beantwoorden want er zijn godsdiensten en godsdiensten. Maar de meeste Belgen antwoordden dus ofwel volmondig, ofwel enigszins gekwalificeerd met ‘ja’, en dat mishaagt mij niet.

Blijft de vraag: kunnen mensen wel zonder godsdienst? U en ik allicht wel, maar dat stelt weinig voor. Tenzij ik hen slecht begrepen heb, leerden de jezuïeten mij destijds dat godsdienst een noodzakelijk middel was om de maatschappij te ordenen, en daar is misschien iets van aan. Natuurlijk, nu paus Franciscus – zelf een jezuïet – in een moment van dwaasheid de hel heeft afgeschaft, zal dit argument veel van zijn overredingskracht verliezen.

Op een andere vraag – of godsdienst henzelf als persoon definieerde – behaalden de Belgen ook een flink resultaat. Ze eindigden op een eervolle vijfdelaatste plaats. Het was hier namelijk een wedstrijd om ter laatst.
Maar Frankrijk, nochtans la fille aînée de l’église, eindigde vierdelaatste. Als verklaring hiervoor zouden we misschien kunnen denken aan de deconstructivisten en aan de postmoderne filosofie waarin tegelijk alles waar is, en niets nog waar. Maar Groot-Brittannië,  Zweden en Japan deden nog slechter – of beter?  en ik weet niet of de Franse filosofie daar even sterk is doorgedrongen.

Nee, de mot zat er al langer in bij onze zuiderburen. En hun ongeloof betrof niet alleen hun god, maar zelfs hun politiek personeel, hun gazetten enzovoort. Ze hadden daar geen Quartier Latin-filosofen voor nodig, getuige de klacht die Heinrich Heine – die in Parijs woonde – honderd zesentachtig jaar geleden uitte:

En niet enkel het geloof in personen is hier de bodem ingeslagen, maar ook het geloof aan alles wat er bestaat. Ja, in de meeste gevallen wordt er niet eens meer getwijfeld – twijfel op zich stelt immers een geloof voorop. Hier zijn geen atheïsten. Voor Onze-Lieve-Heer heeft men zelfs niet zoveel achting overgehouden, dat men zich de moeite zou getroosten hem te verloochenen. De oude religie is grondig dood, ze is al in staat van ontbinding. »De meerderheid van de Fransen«* wil van dat lijk niets meer weten en houdt een zakdoek voor de neus als het katholicisme ter sprake komt. Evenzo dood is de oude moraal, of liever, ze is enkel nog een spook dat zelfs ‘s nachts niet meer verschijnt.

Aber nicht bloß der Glaube an Personen ist hier vernichtet, sondern auch der Glaube an alles, was existiert. Ja, in den meisten Fällen zweifelt man nicht einmal; denn der Zweifel selbst setzt ja einen Glauben voraus. Es gibt hier keine Atheisten; man hat für den lieben Gott nicht einmal so viel Achtung übrig, daß man sich die Mühe gäbe, ihn zu leugnen. Die alte Religion ist gründlich tot, sie ist bereits in Verwesung übergegangen, »die Mehrheit der Franzosen« will von diesem Leichnam nichts mehr wissen und hält das Schnupftuch vor der Nase, wenn vom Katholizismus die Rede ist. Die alte Moral ist ebenfalls tot, oder vielmehr, sie ist nur noch ein Gespenst, das nicht einmal des Nachts erscheint.
Französische Zustände
Artikel IX (1832)

_________
* Er waren toen ook al enquêtes, en die guillemets duidden meen ik op een bepaalde scepsis bij Heine.

24 april 2018

Jeux de mains, jeux de vilain


Discrimineren is verboden,
behalve als er een god achter zit.

«Jeux de mains, jeux de vilain»*, zo leidde Christophe Deborsu zijn wekelijkse « C’est-pas tous les jours dimanche » in. Het ging over mannen die, om hun gelovige kuisheid niet in gevaar te brengen, vrouwen een handdruk weigeren. Op zich is dat achterlijk genoeg, maar het kan natuurlijk nog sterker. Je kunt als man ook weigeren om vrouwen zelfs maar aan te kijken. Het omgekeerde – vrouwen die op straat, in de tram en overal zedig vermijden om mannen een blik te gunnen – zijn we stilaan al gewoon geraakt. En verrijking allemaal goed en wel, en je leest dat vaak, maar een sociale verrijking valt dit niet te noemen, eerder een zelfgekozen discriminatie.
In het RTL-debat weigerde de genaamde Redouane Ahrouch (Parti Islam) de vrouwelijke aanwezigen zelfs maar aan te kijken. Het Laatste Nieuws schreef nu: “Tijdens een politiek debat op RTL-TVI weigerde Redouane Ahrouch resoluut journaliste Emmanuelle Praet in de ogen te kijken.” Die zin valt ofwel onder de hoofding ‘journalistieke lulkoek’, ofwel getuigt hij van taalonmacht. Niemand immers vroeg die onbeschaafde Ahrouch om Emmanuelle Praet “in de ogen te kijken”. Een vreemde vrouw ongegeneerd in de ogen kijken doet een beleefde man ook hier in de geciviliseerde wereld niet.
Ik vertaal een stukje uit het debat, want een journalistiek verslag blijft toch vaak een opgelapte kruk waarmee je vooruit moet zien te komen. In de transcriptie zelf ontbreken enkele zinnen, want ze spraken daar bij RTL soms door elkaar heen. Er zitten dus, met mijn excuus onnauwkeurigheden en lacunes in.

Dramatis personae :

Christophe Deborsu (RTL)
Darya Safai (N-VA)
Emmanuelle Praet (journaliste judiciaire)
Redouane Ahrouch (Parti Islam)


Darya Safai: De reden waarom mijnheer Ahrouch niet bereid is om ons zelfs maar aan te kijken, is dat hij de sharia aanhangt. En ik meen dat het belangrijk is te weten dat in de sharia…
Christophe Deborsu: De sharia is de islamitische wet, niet?
Darya Safai: …de islamitische wet inderdaad, en die heeft niet het minste respect voor vrouwenrechten, voor de gelijkheid van man en vrouw, en dat zijn wel onze verworvenheden hier. Wij hebben die bekomen, wij hebben lang gestreden voor onze waarden van gelijkheid tussen man en vrouw. En ik vind dat sharia criminaliteit betekent. Criminaliteit ten aanzien van vrouwen, criminaliteit ten aanzien van kinderen, die mogen trouwen vanaf hun negende jaar, criminaliteit ten aanzien van de mensheid, criminaliteit ten aanzien van de ongelovigen. Voor ons is het dus heel klaar dat er voor iets dergelijks geen plaats is in onze politiek, en de partij ‘Islam’…
Christophe Deborsu: En de N-VA moet de partij ‘Islam’ dan maar verbieden? Kan men die verbieden?
Darya Safai: Wat valt er over de partij ‘Islam’ te vertellen? Dat zij ons de sharia wil brengen, de sharia hier toepassen.
Christophe Deborsu [tot Ahrouch gericht]: Dat hebt u inderdaad gezegd, hè. Dat werd duidelijk gezegd.
Darya Safai: En of dat belangrijk is? Ik zeg u: wil mijnheer Ahrouch een tweede Islamitische Republiek van Iran, of van België? Is dat wat hij wil voor België? Een Islamitische Staat? En een Islamitische Staat berust op de sharia. En ziet u, de sharia begint bij – mijnheer Ahrouch heeft dat al voorgesteld – begint bij de segregatie van mannen en vrouwen op de bus. Maar waar eindigt zoiets?
Christophe Deborsu: Akkoord, op de bussen, dat is zo gezegd.
Darya Safai: …naar steniging en al wat daarna nog volgt.
Christophe Deborsu: Kom nu, ik weet wel dat u dit een beetje zult willen relativeren. We gaan hier niet het debat over de sharia voeren…
Emmanuelle Praet: Nee! Wij relativeren niet. Helemaal niet! Die kijkt ons niet eens aan. Er is geen sprake van relative…
Redouane Ahrouch: Luister eens, ik heb medelijden met die vrouw daar…
Christophe Deborsu: En waarom dan wel?
Redouane Ahrouch: Dat gaat voorbij aan de echte sharia.
Darya Safai: Hij kijkt ons niet eens aan! 
Emmanuelle Praet: En aan medelijden hebben we geen behoefte.  Komaan zeg! is dit een soort grap?
Christophe Deborsu: Het is tijd om ons tot de heer [Koen] Geens te richten, want hier komen we nog lang niet uit…
Redouane Ahrouch: Daarbij heeft ze …de problemen die zij gekend heeft tijdens haar jeugd in Iran, maar in België…
Darya Safai: Maar helemaal niet, enfin! Neen!
Emmanuelle Praet: Hoe durft u!
Christophe Deborsu: Maar u wil dus de sharia, daarover zijn we het eens, en wel hier.
Redouane Ahrouch: Dat willen wij. De sharia is een weg geworden, een weg die ons naar de volmaaktheid leidt. Wij willen een sharia die westers is, want er is niet enkel België, het gaat om Europa.
Darya Safai: Dat is geen sharia. Een westerse sharia bestaat niet!
xxx …une femme.
Redouane Ahrouch: Ik heb geen lessen van u te krijgen, mevrouw...
Darya Safai: Ah bon.
Christophe Deborsu: We zullen het daarbij laten.
Redouane Ahrouch: ...zeker niet over vrouwenrechten.
Emmanuelle Praet: Ik begrijp zelfs niet hoe u hier in dit panel terechtkwam, mijnheer.  Schande dat u hier zit!
Christophe Deborsu: Laat het hier ophouden, alstublieft.

______
* Oude Franse zegswijze nog stammend uit de tijd dat alleen edelen het recht hadden wapens te dragen; vandaag wordt de uitdrukking meestal tegen kinderen gebruikt, al kan ze ook een connotatie van seksuele aard hebben. 



Darya Safai: La raison pour laquelle monsieur Ahrouch n’est pas prêt de nous même regarder, c’est parce que il croit au sharia. Et dans le sharia, moi je trouve que c’est important de savoir …
Christophe Deborsu: La sharia, c’est la loi islamique, hein.
Darya Safai: Voilà, la loi islamique …il n’a aucun respect pour les droits des femmes, égalité femme et homme, et ce sont nos acquis ici. On a acquis ça, on a combattu longtemps pour nos valeurs, égalité femme et homme. Et je trouve que la sharia est la criminalité. Criminalité contre les femmes, criminalité contre les enfants qui peuvent être …se marier à l’âge de neuf ans, criminalité vers l’être humain, et criminalité vers non-croyants. Alors c’est très clair pour nous que ça, il n’y a pas de place dans notre politique, et le parti Islam…
Christophe Deborsu: Et la NV-A doit interdire le parti Islam aussi? Peut l’interdire ?
Darya Safai: En fait, qu’est-ce qu’on peut dire du parti Islam ? Qu’il veut amener sharia chez nous, appliquer sharia ici.
Christophe Deborsu [à Ahrouch]: Vous l’avez dit effectivement, hein, ça s’est clairement dit.
Darya Safai: Et est-ce que c’est important ? Moi je vous dis : est-ce que monsieur Ahrouch il veut faire une deuxième Islamique République d’Iran, de Belgique ? Est-ce que c’est ça, État islamique, qu’il veut pour la Belgique ? Et État islamique qui a …qui est à la base de sharia ? Sharia, il commence, n’est-ce pas – monsieur Ahrouch l’a déjà proposé – il commence par la ségrégation femmes et hommes dans les bus, mais où ça se termine ?
Christophe Deborsu: Dans les bus, ça a été dit, d’accord.
Darya Safai: Lapidations, et tout le reste qui vient après.
Christophe Deborsu: Alors je sais bien que vous allez relativiser un petit peu. On ne va pas faire le débat sur la sharia…
Emmanuelle Praet: Non ! on ne relativise pas. Mais pas du tout ! Il n’y a pas de relativi…
Darya Safai: Il ne nous regarde même pas nous !
Redouane Ahrouch: Écoutez, j’ai pitié de cette femme -là.
Christophe Deborsu: Et pourquoi ?
Redouane Ahrouch: C’est le départ de la vraie sharia.
Darya Safai: Il ne nous regarde même pas. 
Emmanuelle Praet: On n’a pas besoin de pitié. Mais enfin, c'est une blague, ou quoi ?
Christophe Deborsu: Ici on va passer à monsieur Geens, parce que on n’est pas près ici de …
Redouane Ahrouch: Et puis comparer les problèmes qu’elle a vécus dans sa jeunesse où …en Iran, mais en Belgique...
Darya Safai: Mais pas du tout, mais enfin ! Non !
Emmanuelle Praet: Comment osez-vous !
Christophe Deborsu: Mais donc, vous voulez la sharia, on est bien d’accord. Ici.
Redouane Ahrouch: On veut, la sharia c’est devenu une voie, une voie qui nous amène vers la perfection, on veut une sharia occidentale, parce que il n’y a pas que la Belgique, c’est l’Europe.
Darya Safai: Ça n’est pas la sharia ! Il n’y a pas la sharia occidentale !
xxx …une femme.
Redouane Ahrouch: Je n’ai pas à recevoir des leçons de vous, madame.
Darya Safai: Ah bon.
Christophe Deborsu: On va arrêter là-dessus.
Redouane Ahrouch: ...sûrement des droits des femmes.
Emmanuelle Praet: Je ne comprends même pas comment vous êtes sur ce plateau, monsieur. C’est une honte d’être là !
Christophe Deborsu: On arrête là s’il vous plaît.

20 april 2018

Alweer een akte van geloof gevraagd


Het woordgebruik van de Amerikaanse regering over hun credible information and intelligence wat de vertragingsmaneuvers aangaat, en de poging tot schoonmaken door de Russen en Syriërs van de plek van de hypothetische gasaanval (ook voor die beschuldiging hadden ze 'geloofwaardige informatie', afkomstig toen van de Witte Helmen, een omstreden groepering, om ook eens een journalistieke term te gebruiken) …dat woordgebruik krijgt stilaan theologische trekjes.

De regering vraagt dat het Amerikaanse publiek, en de rest van de wereld, een soort akte van geloof opzegt betreffende een veronderstelling over een veronderstelling. Een tweede macht dus, terwijl ik betwijfel (on credible grounds, geloof me!) of Trump de kwadraten van één tot twaalf uit het hoofd kan opzeggen.

Niettemin heeft Donald gelijk dat hij zijn boodschap in die vorm brengt (via zijn woordvoerster Heather Nauert) want eerder lukte het telkens al om de Amerikanen met dat soort informatie voor de gek te houden en ze te doen jaknikken. 

Denken we maar aan de weapons of mass destruction die  Colin Powell – het eerloze schandknaapje van George Dubya Bush – aannemelijk wist te maken door een flaconnetje te laten zien dat hij tussen zijn duim en wijsvinger hield. En daarvoor hadden we papa Bush al gehad, met zijn couveuses. Dat was eigenlijk nog mooier.

Als een Amerikaanse president, generaal of diplomaat iets vertelt, dan kun je hem beter geloven, want geloven of niet: raketten komen er toch.

15 april 2018

Een lesje voor Macron


De linguïst Bassam Tahhan gaf aan Emmanuel Macron een mooi lesje politiek en hij probeerde zijn ‘jeune et cher Président’ enige realiteitszin bij te brengen wat betreft de Arabische wereld. Professor Tahhan werd in Syrië geboren en heeft beide nationaliteiten, zodat ook Assad zijn president is. Als academicus is de man onder meer korandeskundige, en staat hij een moetazilitische interpretatie van de tekst voor. Dat gaat in tegen de islamitische orthodoxie.
Maar deze keer ging de les  beter gezegd het naschoolse onderricht voor Emmanuel  over politiek en over militaire kwesties, en ze is heel grappig, lichtjes spottend. U kan ze hier in haar geheel zien,* wat ik echt moet aanraden, maar ik vertaal alvast een klein stukje:

Maar …maar u bekladt het imago van Frankrijk in de gehele wereld, hè! In de gehele wereld. Niemand gelooft u nu nog. Als ik zo spreek, dan is dat uit liefde voor Frankrijk. Ik van mijn kant zou niet graag hebben dat men zich in het Elysée eventjes mag vergissen en ...en dan de spons erover. Neen! Men moet coherent zijn. En in dit verband, als ik de lijst van criminelen aanvul: u weet dat bepaalde journalisten zover zijn gegaan te beweren – en ik weet niet of dat waar is – dat als er in 2013 die chemische aanval is geweest, dit aan de Franse geheime dienst te danken was. Aan hen te danken zeg ik, maar zijzelf waren het niet, het waren tussenpersonen. Toen u die rode streep trok, en Fabius zei dat het om een rode streep ging, en als Assad chemisch tuig zou gebruiken, het antwoord verpletterend zou zijn ...wel, dat was een uitnodiging. Ga uw gang islamisten! Bezorg ons een scenario met chemische bommen, en wij zullen Syrië vernietigen met onze Rafales en raketten. Zo is het toch?



Mais… mais vous entachez l’image de la France dans le monde entier, hein! Dans le monde entier! Personne ne vous croit maintenant. Si je parle comme ça, c’est par amour pour la France. Je n’aimerais pas moi que, à l’Elysée on puisse se tromper et …et délier. Non. Il faut être cohérent. Et là, si je continue la liste des criminels, vous savez certains journalistes ont été jusqu’à dire – je ne sais pas si c’est vrai – que si il a eu l’attaque chimique en 2013, c’est grâce aux services secrets français. C’est «grâce» ce que je dis, mais c’est pas eux! c’est des intermédiaires. Quand vous avez fixé la ligne rouge, et que Fabius a dit que c’est une ligne rouge: si Assad utilise le chimique, la réponse serait foudroyante ...ah, c’était une invitation. Allez-y les islamistes! Faites-nous un scénario de bombes chimiques, et on va réduire la Syrie à néant, avec nos Rafales et nos missiles. N’est-ce pas?

* gepubliceerd op 19 december.


13 april 2018

Rivieren van Bloed. De integrale speech van Enoch Powell, mét vertaling.


Nu de BBC deze speech door een acteur laat inlezen morgen, wat voor ophef zorgt, is het misschien nuttig om hem helemaal te lezen, of de vertaling ervan, die ik twaalf jaar geleden maakte. Op YouTube vond men tot voor kort nog de volledige speech van 1968, in zes delen, maar die ontdek ik niet meer. Wel hebben ze nog een BBC-in memoriam, een journalistieke interpretatie van zijn carrière. Maar om de lezer zelf te laten oordelen is een volledige tekst vanzelfsprekend aangewezen.
Overigens, wie Powell verwerpelijk vindt, kan terecht bij de New York Review of Books.

Like the Roman, I seem to see
"the River Tiber foaming with much blood."*

This is the full text of Enoch Powell's so-called 'Rivers of Blood' speech, which was delivered to a Conservative Association meeting in Birmingham on April 20 1968.

The supreme function of statesmanship is to provide against preventable evils. In seeking to do so, it encounters obstacles which are deeply rooted in human nature.

One is that by the very order of things such evils are not demonstrable until they have occurred: at each stage in their onset there is room for doubt and for dispute whether they be real or imaginary. By the same token, they attract little attention in comparison with current troubles, which are both indisputable and pressing: whence the besetting temptation of all politics to concern itself with the immediate present at the expense of the future.

Above all, people are disposed to mistake predicting troubles for causing troubles and even for desiring troubles: "If only," they love to think, "if only people wouldn't talk about it, it probably wouldn't happen."

Perhaps this habit goes back to the primitive belief that the word and the thing, the name and the object, are identical.

At all events, the discussion of future grave but, with effort now, avoidable evils is the most unpopular and at the same time the most necessary occupation for the politician. Those who knowingly shirk it deserve, and not infrequently receive, the curses of those who come after.

A week or two ago I fell into conversation with a constituent, a middle-aged, quite ordinary working man employed in one of our nationalised industries.

After a sentence or two about the weather, he suddenly said: "If I had the money to go, I wouldn't stay in this country." I made some deprecatory reply to the effect that even this government wouldn't last for ever; but he took no notice, and continued: "I have three children, all of them been through grammar school and two of them married now, with family. I shan't be satisfied till I have seen them all settled overseas. In this country in 15 or 20 years' time the black man will have the whip hand over the white man."

I can already hear the chorus of execration. How dare I say such a horrible thing? How dare I stir up trouble and inflame feelings by repeating such a conversation?

The answer is that I do not have the right not to do so. Here is a decent, ordinary fellow Englishman, who in broad daylight in my own town says to me, his Member of Parliament, that his country will not be worth living in for his children.

I simply do not have the right to shrug my shoulders and think about something else. What he is saying, thousands and hundreds of thousands are saying and thinking - not throughout Great Britain, perhaps, but in the areas that are already undergoing the total transformation to which there is no parallel in a thousand years of English history.

In 15 or 20 years, on present trends, there will be in this country three and a half million Commonwealth immigrants and their descendants. That is not my figure. That is the official figure given to parliament by the spokesman of the Registrar General's Office.

There is no comparable official figure for the year 2000, but it must be in the region of five to seven million, approximately one-tenth of the whole population, and approaching that of Greater London. Of course, it will not be evenly distributed from Margate to Aberystwyth and from Penzance to Aberdeen. Whole areas, towns and parts of towns across England will be occupied by sections of the immigrant and immigrant-descended population.

As time goes on, the proportion of this total who are immigrant descendants, those born in England, who arrived here by exactly the same route as the rest of us, will rapidly increase. Already by 1985 the native-born would constitute the majority. It is this fact which creates the extreme urgency of action now, of just that kind of action which is hardest for politicians to take, action where the difficulties lie in the present but the evils to be prevented or minimised lie several parliaments ahead.

The natural and rational first question with a nation confronted by such a prospect is to ask: "How can its dimensions be reduced?" Granted it be not wholly preventable, can it be limited, bearing in mind that numbers are of the essence: the significance and consequences of an alien element introduced into a country or population are profoundly different according to whether that element is 1 per cent or 10 per cent.

The answers to the simple and rational question are equally simple and rational: by stopping, or virtually stopping, further inflow, and by promoting the maximum outflow. Both answers are part of the official policy of the Conservative Party.

It almost passes belief that at this moment 20 or 30 additional immigrant children are arriving from overseas in Wolverhampton alone every week - and that means 15 or 20 additional families a decade or two hence. Those whom the gods wish to destroy, they first make mad. We must be mad, literally mad, as a nation to be permitting the annual inflow of some 50,000 dependants, who are for the most part the material of the future growth of the immigrant-descended population. It is like watching a nation busily engaged in heaping up its own funeral pyre. So insane are we that we actually permit unmarried persons to immigrate for the purpose of founding a family with spouses and fiancés whom they have never seen.

Let no one suppose that the flow of dependants will automatically tail off. On the contrary, even at the present admission rate of only 5,000 a year by voucher, there is sufficient for a further 25,000 dependants per annum ad infinitum, without taking into account the huge reservoir of existing relations in this country - and I am making no allowance at all for fraudulent entry. In these circumstances nothing will suffice but that the total inflow for settlement should be reduced at once to negligible proportions, and that the necessary legislative and administrative measures be taken without delay.

I stress the words "for settlement." This has nothing to do with the entry of Commonwealth citizens, any more than of aliens, into this country, for the purposes of study or of improving their qualifications, like (for instance) the Commonwealth doctors who, to the advantage of their own countries, have enabled our hospital service to be expanded faster than would otherwise have been possible. They are not, and never have been, immigrants.

I turn to re-emigration. If all immigration ended tomorrow, the rate of growth of the immigrant and immigrant-descended population would be substantially reduced, but the prospective size of this element in the population would still leave the basic character of the national danger unaffected. This can only be tackled while a considerable proportion of the total still comprises persons who entered this country during the last ten years or so.

Hence the urgency of implementing now the second element of the Conservative Party's policy: the encouragement of re-emigration.

Nobody can make an estimate of the numbers which, with generous assistance, would choose either to return to their countries of origin or to go to other countries anxious to receive the manpower and the skills they represent.

Nobody knows, because no such policy has yet been attempted. I can only say that, even at present, immigrants in my own constituency from time to time come to me, asking if I can find them assistance to return home. If such a policy were adopted and pursued with the determination which the gravity of the alternative justifies, the resultant outflow could appreciably alter the prospects.

The third element of the Conservative Party's policy is that all who are in this country as citizens should be equal before the law and that there shall be no discrimination or difference made between them by public authority. As Mr Heath has put it we will have no "first-class citizens" and "second-class citizens." This does not mean that the immigrant and his descendent should be elevated into a privileged or special class or that the citizen should be denied his right to discriminate in the management of his own affairs between one fellow-citizen and another or that he should be subjected to imposition as to his reasons and motive for behaving in one lawful manner rather than another.

There could be no grosser misconception of the realities than is entertained by those who vociferously demand legislation as they call it "against discrimination", whether they be leader-writers of the same kidney and sometimes on the same newspapers which year after year in the 1930s tried to blind this country to the rising peril which confronted it, or archbishops who live in palaces, faring delicately with the bedclothes pulled right up over their heads. They have got it exactly and diametrically wrong.

The discrimination and the deprivation, the sense of alarm and of resentment, lies not with the immigrant population but with those among whom they have come and are still coming.

This is why to enact legislation of the kind before parliament at this moment is to risk throwing a match on to gunpowder. The kindest thing that can be said about those who propose and support it is that they know not what they do.

Nothing is more misleading than comparison between the Commonwealth immigrant in Britain and the American Negro. The Negro population of the United States, which was already in existence before the United States became a nation, started literally as slaves and were later given the franchise and other rights of citizenship, to the exercise of which they have only gradually and still incompletely come. The Commonwealth immigrant came to Britain as a full citizen, to a country which knew no discrimination between one citizen and another, and he entered instantly into the possession of the rights of every citizen, from the vote to free treatment under the National Health Service.

Whatever drawbacks attended the immigrants arose not from the law or from public policy or from administration, but from those personal circumstances and accidents which cause, and always will cause, the fortunes and experience of one man to be different from another's.

But while, to the immigrant, entry to this country was admission to privileges and opportunities eagerly sought, the impact upon the existing population was very different. For reasons which they could not comprehend, and in pursuance of a decision by default, on which they were never consulted, they found themselves made strangers in their own country.

They found their wives unable to obtain hospital beds in childbirth, their children unable to obtain school places, their homes and neighbourhoods changed beyond recognition, their plans and prospects for the future defeated; at work they found that employers hesitated to apply to the immigrant worker the standards of discipline and competence required of the native-born worker; they began to hear, as time went by, more and more voices which told them that they were now the unwanted. They now learn that a one-way privilege is to be established by act of parliament; a law which cannot, and is not intended to, operate to protect them or redress their grievances is to be enacted to give the stranger, the disgruntled and the agent-provocateur the power to pillory them for their private actions.

In the hundreds upon hundreds of letters I received when I last spoke on this subject two or three months ago, there was one striking feature which was largely new and which I find ominous. All Members of Parliament are used to the typical anonymous correspondent; but what surprised and alarmed me was the high proportion of ordinary, decent, sensible people, writing a rational and often well-educated letter, who believed that they had to omit their address because it was dangerous to have committed themselves to paper to a Member of Parliament agreeing with the views I had expressed, and that they would risk penalties or reprisals if they were known to have done so. The sense of being a persecuted minority which is growing among ordinary English people in the areas of the country which are affected is something that those without direct experience can hardly imagine.

I am going to allow just one of those hundreds of people to speak for me:

“Eight years ago in a respectable street in Wolverhampton a house was sold to a Negro. Now only one white (a woman old-age pensioner) lives there. This is her story. She lost her husband and both her sons in the war. So she turned her seven-roomed house, her only asset, into a boarding house. She worked hard and did well, paid off her mortgage and began to put something by for her old age. Then the immigrants moved in. With growing fear, she saw one house after another taken over. The quiet street became a place of noise and confusion. Regretfully, her white tenants moved out.

“The day after the last one left, she was awakened at 7am by two Negroes who wanted to use her 'phone to contact their employer. When she refused, as she would have refused any stranger at such an hour, she was abused and feared she would have been attacked but for the chain on her door. Immigrant families have tried to rent rooms in her house, but she always refused. Her little store of money went, and after paying rates, she has less than £2 per week. “She went to apply for a rate reduction and was seen by a young girl, who on hearing she had a seven-roomed house, suggested she should let part of it. When she said the only people she could get were Negroes, the girl said, "Racial prejudice won't get you anywhere in this country." So she went home.

“The telephone is her lifeline. Her family pay the bill, and help her out as best they can. Immigrants have offered to buy her house - at a price which the prospective landlord would be able to recover from his tenants in weeks, or at most a few months. She is becoming afraid to go out. Windows are broken. She finds excreta pushed through her letter box. When she goes to the shops, she is followed by children, charming, wide-grinning piccaninnies. They cannot speak English, but one word they know. "Racialist," they chant. When the new Race Relations Bill is passed, this woman is convinced she will go to prison. And is she so wrong? I begin to wonder.”

The other dangerous delusion from which those who are wilfully or otherwise blind to realities suffer, is summed up in the word "integration." To be integrated into a population means to become for all practical purposes indistinguishable from its other members.

Now, at all times, where there are marked physical differences, especially of colour, integration is difficult though, over a period, not impossible. There are among the Commonwealth immigrants who have come to live here in the last fifteen years or so, many thousands whose wish and purpose is to be integrated and whose every thought and endeavour is bent in that direction.

But to imagine that such a thing enters the heads of a great and growing majority of immigrants and their descendants is a ludicrous misconception, and a dangerous one.

We are on the verge here of a change. Hitherto it has been force of circumstance and of background which has rendered the very idea of integration inaccessible to the greater part of the immigrant population - that they never conceived or intended such a thing, and that their numbers and physical concentration meant the pressures towards integration which normally bear upon any small minority did not operate.

Now we are seeing the growth of positive forces acting against integration, of vested interests in the preservation and sharpening of racial and religious differences, with a view to the exercise of actual domination, first over fellow-immigrants and then over the rest of the population. The cloud no bigger than a man's hand, that can so rapidly overcast the sky, has been visible recently in Wolverhampton and has shown signs of spreading quickly. The words I am about to use, verbatim as they appeared in the local press on 17 February, are not mine, but those of a Labour Member of Parliament who is a minister in the present government:

'The Sikh communities' campaign to maintain customs inappropriate in Britain is much to be regretted. Working in Britain, particularly in the public services, they should be prepared to accept the terms and conditions of their employment. To claim special communal rights (or should one say rites?) leads to a dangerous fragmentation within society. This communalism is a canker; whether practised by one colour or another it is to be strongly condemned.'

All credit to John Stonehouse for having had the insight to perceive that, and the courage to say it.

For these dangerous and divisive elements the legislation proposed in the Race Relations Bill is the very pabulum they need to flourish. Here is the means of showing that the immigrant communities can organise to consolidate their members, to agitate and campaign against their fellow citizens, and to overawe and dominate the rest with the legal weapons which the ignorant and the ill-informed have provided. As I look ahead, I am filled with foreboding; like the Roman, I seem to see "the River Tiber foaming with much blood."

That tragic and intractable phenomenon which we watch with horror on the other side of the Atlantic but which there is interwoven with the history and existence of the States itself, is coming upon us here by our own volition and our own neglect. Indeed, it has all but come. In numerical terms, it will be of American proportions long before the end of the century.

Only resolute and urgent action will avert it even now. Whether there will be the public will to demand and obtain that action, I do not know. All I know is that to see, and not to speak, would be the great betrayal.
___________________

* PUBLI VERGILI MARONIS, AENEIDOS LIBER VI, l. 86: “Et Thybrim multo spumantem sanguine cerno.”




De hoogste plicht van staatsmanskunst is het, om voorzieningen te treffen tegen afwendbaar onheil. Bij dit streven ontmoet zij hindernissen die diepgeworteld zijn in de menselijke natuur.

Eén daarvan is dat het in de lijn der dingen ligt dat zulke onheilen niet aantoonbaar zijn tot op het moment dat zij hebben plaatsgehad: bij elke fase van hun ontstaan is er ruimte voor twijfel en dispuut of zij nu wel echt zijn, of denkbeeldig. Voorts krijgen zij weinig aandacht, vergeleken bij actuele bekommernissen die zowel onbetwistbaar zijn als dringend: vandaar de hardnekkige verlokking voor elk beleid om zich in te laten met het onmiddellijke heden, ten koste van de toekomst.

En bovenal zijn mensen geneigd om het voorspellen van problemen te verwarren met het veroorzaken ervan, zelfs met het wensen van problemen: “Als mensen”, willen zij graag denken, “als mensen eens zouden ophouden met over problemen te praten, dan komen er wellicht geen.”
Mogelijk gaat deze gewoonte terug op het primitieve geloof dat het woord en het ding, de naam en het object, identiek zijn.

In elk geval, de discussie over een in de toekomst ernstig, maar nu met enige inspanning nog vermijdbaar onheil, is de meest impopulaire maar tegelijk meest noodzakelijke taak voor een politicus. Zij die er zich bewust aan onttrekken verdienen, en krijgen vaak ook, de verwensingen van diegenen die na hen komen.

Een week of twee geleden raakte ik in gesprek met een kiezer, een gewone werkman van middelbare leeftijd, met een baan bij een van onze genationaliseerde industrieën.
Na enkele zinnen over het weer, zei hij plots: “Als ik het geld had om weg te gaan, dan bleef ik niet in dit land.” Ik maakte een afkeurende opmerking in de trant van dat zelfs deze regering niet het eeuwige leven had; maar hij sloeg er geen acht op en ging verder: “Ik heb drie kinderen, ze hebben allemaal humaniora gedaan en twee zijn nu getrouwd en hebben zelf kinderen. Ik zal niet gerust zijn voor zij zich allemaal in het buitenland gevestigd hebben. In dit land hebben binnen 15 à 20 jaar de zwarten het heft in handen en dansen de blanken naar hun pijpen.”

Nu al hoor ik in koor de kreten van afschuw. Hoe kom ik erbij om zoiets afschuwelijks te zeggen? Hoe waag ik het om problemen aan te wakkeren en gevoelens te doen ontvlammen door zo’n conversatie op te rakelen?
Het antwoord is dat ik niet het recht heb om het niet te doen. Het gaat hier om een doodgewone, fatsoenlijke mede-Engelsman, die aan mij, zijn Parlementariër, bij klaarlichte dag in mijn eigen stad vertelt dat zijn land voor zijn kinderen de moeite niet meer waard zal zijn om erin te leven.
Ik heb gewoon niet het recht om mijn schouders op te halen en over iets anders na te denken. Wat hij komt te zeggen is wat duizenden en honderdduizenden zeggen en denken – niet in heel Groot-Brittannië wellicht, maar in de streken die vandaag al een complete transformatie ondergaan waar in de duizendjarige geschiedenis van Engeland geen parallel voor bestaat.

Binnen 15 of 20 jaar zullen er, in het huidige tempo, in dit land drie en een half miljoen immigranten en hun afstammelingen uit de Commonwealth wonen. Dat is niet mijn cijfer. Dat is het officiële cijfer dat aan het Parlement werd gegeven door de woordvoerder van de dienst van de Burgerlijke Stand.
Voor het jaar 2000 is er geen vergelijkbaar officieel cijfer, maar het moet in de buurt komen van vijf tot zeven miljoen, ongeveer een tiende van de bevolking, zoiets als Groot Londen. Natuurlijk, dat aantal zal niet gelijkmatig verdeeld zijn van Margate tot Aberystwyth en van Penzance tot Aberdeen. Hele streken, steden en stadswijken, verspreid over Engeland, zullen ingenomen worden door segmenten van een bevolking bestaande uit immigranten en hun afstammelingen.

Binnen dit totaal zal na verloop van tijd het aandeel immigrantenafstammelingen, geboren in Engeland, en hier gearriveerd langs exact dezelfde weg als wij allemaal, snel groeien. Tegen 1985 al zouden de hier geborenen de meerderheid vormen. Dat feit alleen maakt dat er extreem dringend tot actie moet worden overgegaan, en wel exact het soort van actie dat politici erg zwaar valt, actie waarbij de bezwaren onmiddellijk zijn, en het te bezweren of te beperken onheil nog verschillende legislaturen ver verwijderd ligt.

Voor een land dat geconfronteerd wordt met zulke vooruitzichten is de voor de hand liggende en redelijke eerste vraag dan: “Hoe kan de omvang beperkt worden?” Nog toegegeven dat niets deze ontwikkeling volkomen kan verhinderen, kan zij zo binnen zekere perken blijven, want we mogen niet vergeten dat aantallen hier doorslaggevend zijn: de impact en de consequenties van een vreemd element dat in een land wordt geïntroduceerd zijn van een geheel andere orde als dat element 1 procent bedraagt of 10 procent.

De antwoorden op deze simpele en rationele vraag zijn even simpel en rationeel: door verdere toestroom te stoppen, of zo goed als, en door een maximale uitstroom te bevorderen. Officieel maken deze beide antwoorden deel uit van de principes van de Conservatieve Partij.

Je houdt het toch niet voor mogelijk dat er op dit moment, en enkel al in Wolverhampton, elke week 20 tot 30 nieuwe immigrantenkinderen van overzee binnenkomen – en dat betekent 15 of 20 bijkomende families binnen een of twee decennia. Wie de goden zoeken te vernietigen, die maken zij eerst gek. Wij moeten als natie al goed gek zijn, letterlijk gek, om een jaarlijkse instroom van 50.000 familieleden toe te laten, die voor het grootste deel de stof leveren voor de toekomstige aangroei van de immigrantenbevolking. Het lijkt wel, of wij zien hier een natie die ijverig haar eigen brandstapel opricht. Zo krankzinnig zijn wij al, dat we toelaten dat ongehuwde personen hier inwijken met als bedoeling een gezin te stichten met vrouwen en verloofdes die ze nooit eerder hebben gezien.

Laat niemand toch denken dat deze instroom van personen ten laste automatisch zal afnemen. Integendeel, zelfs bij het huidige toelatingstempo van slechts 5000 per jaar, van personen waar iemand borg voor staat, is dat voldoende voor 25.000 personen ten laste per jaar ad infinitum, zonder het reusachtige reservoir van in dit land al bestaande familiebanden aan te spreken – en frauduleuze inwijking laat ik al helemaal buiten beschouwing.

Onder deze omstandigheden zal niets volstaan behalve een onmiddellijke immigratiestop die de toevloed, met het oog op vestiging, tot verwaarloosbare proporties terugbrengt, plus noodzakelijke wetgevende en administratieve maatregelen die er zonder dralen moeten komen.
Ik benadruk de woorden “met het oog op vestiging”. Er is geen verband met de binnenkomst in dit land van burgers uit de Commonwealth, noch evenmin van vreemden, die als bedoeling hebben te studeren of ervaring op te doen, zoals (bijvoorbeeld) Commonwealth-dokters die in het belang van hun eigen land, onze ziekenhuissector in staat hebben gesteld sneller te groeien dan anders mogelijk was geweest. Dat zijn geen, noch waren zij ooit immigranten.

Laat ik het nu hebben over remigratie. Als morgen alle immigratie een eind zou nemen, dan zou het aangroeitempo van immigranten en immigratie-afstammelingen substantieel afnemen, maar de te verwachten grootte van het aandeel van dit element in de bevolking zou te gronde genomen de aard van het gevaar voor de natie nog steeds ongemoeid laten.
Dit kan enkel aangepakt worden zolang een aanzienlijk deel van het totaal nog steeds personen bevat die pas de laatste tien jaar of zo dit land zijn binnengekomen.

Vandaar de hoogdringendheid om het tweede luik van de Conservatieve politiek in praktijk te brengen: de aanmoediging van remigratie.
Niemand kan de aantallen inschatten van hen die, met een genereuze hulp, zouden verkiezen om ofwel naar hun oorspronkelijke land terug te gaan, of naar andere landen te gaan die misschien eropuit zijn om hun mankracht of vaardigheden te ontvangen.

Niemand weet dat, want deze politiek werd tot nog toe nooit beproefd.
Ik kan enkel zeggen dat van tijd tot tijd, zelfs vandaag al, immigranten in mijn eigen kiesdistrict met de vraag bij mij komen of ik assistentie kan vinden bij hun terugkeer naar huis. Als zo'n beleid zou worden gevoerd, en doorgezet met de vasthoudendheid die door de ernst van het alternatief gerechtvaardigd wordt, dan zou als resultaat daarvan de uitstroom sterk gewijzigde perspectieven kunnen opleveren.

Het derde beleidselement van de Conservatieve Partij is dat allen die in dit land verblijven als burgers gelijk voor de wet moeten zijn, en dat er tussen hen geen onderscheid of verschil mag gemaakt worden door de overheid. Zoals mijnheer Heath het zei, wij kunnen geen “eersteklasburgers” en “tweedeklasburgers” hebben. Dat betekent nog niet dat de immigrant en zijn nakomelingen verheven dienen te worden tot een geprivilegieerde of speciale klasse, of dat de burger het recht ontzegd zou kunnen worden om bij het beheer van zijn eigen zaken een onderscheid te maken tussen de ene medeburger en de andere, of dat hij onderworpen zou worden aan voorschriften wat betreft zijn redenen en motieven om zich, binnen de wet, op de ene of andere manier te gedragen.

Er is geen grotere misvatting omtrent de realiteit denkbaar dan die welke gekoesterd wordt door diegenen die luidruchtig vragen om wetgeving “tegen discriminatie” zoals zij dat noemen, of het nu hoofdartikelschrijvers zijn, van hetzelfde slag en soms van dezelfde dagbladen die jaar na jaar in de dertiger jaren ons land blind wilden houden voor het opkomende gevaar waar het vóór stond, of aartsbisschoppen die in paleizen leven, en met de dekens over hun hoofd getrokken het nog niet zo slecht getroffen hebben. Zij hebben het glad en diametraal mis.

De discriminatie en het verlies, het gevoel van ontsteltenis en verontwaardiging ligt niet bij de immigrantenpopulatie, maar bij diegenen waartussen deze zich heeft gevestigd en zich blijft vestigen.
Juist daarom zijn wetsvoorstellen zoals die nu in het Parlement voorliggen een waagstuk en een lont aan het kruitvat. Het mildste wat men kan zeggen over diegenen die ze voorstellen en steunen is dat zij niet weten wat ze doen.

Niets is meer misleidend dan de vergelijking tussen de Commonwealth-inwijkeling in Groot-Brittannië en de Amerikaanse zwarte. De zwarte inwoners van de Verenigde Staten, die al aanwezig waren nog voor de Verenigde Staten een natie werden, begonnen letterlijk als slaven, en hen werden later het stemrecht en andere burgerrechten gegeven, die zij enkel gradueel en vooralsnog slechts gedeeltelijk kunnen uitoefenen. De Commonwealth-immigrant kwam naar Groot-Brittannië als volwaardige burger, naar een land dat geen discriminatie kende tussen de ene burger of de andere, en hij was onmiddellijk in het bezit van de rechten van elke burger, gaande van het stemrecht tot de kostenloze behandeling bij de National Health Service.
Wat voor schaduwzijden er de immigrant ook wachtten, zij vloeiden niet voort uit de wet, of het beleid, of de administratie, maar uit de persoonlijke omstandigheden en accidenten die maken dat het lot en de wederwaardigheden van de ene mens eenmaal verschillen, en altijd zullen verschillen van die van een andere.

Maar terwijl voor de immigrant zijn komst in dit land toegang bood tot privileges en kansen die hij gretig zocht, was de situatie voor de bestaande bevolking heel verschillend. Om redenen die hen overstegen, als bij de uitvoering van een vonnis bij verstek waarbij nooit om hun mening werd gevraagd, zagen zij zich tot vreemdelingen in eigen land worden.

Zij zagen dat hun vrouwen bij haar bevalling geen bed konden krijgen in de kraamklinieken, dat hun kinderen geen plek in de school vonden, dat hun huizen en buurten onherkenbaar waren veranderd, dat hun plannen en vooruitzichten voor de toekomst tenietgedaan werden; op het werk ondervonden zij dat de werkgever aarzelde om aan de immigranten dezelfde standaard van discipline en competentie op te leggen die van een autochtone arbeider wel werden geëist; wat zij na verloop van tijd meer en meer hoorden, waren stemmen die zegden dat zij voortaan konden gemist worden. Wat zij vandaag vernemen, is dat er in het Parlement een wet in de maak is, die een eenrichtingsprivilege in het leven zal roepen; een wet die aan henzelf onmogelijk bescherming kan verlenen, of aan hun grieven tegemoet kan komen, en die ook niet zo is bedoeld, zulk een wet wil men maken die aan de vreemdeling, de misnoegde en de agent-provocateur, de macht verleent om hen aan de schandpaal te nagelen voor daden die behoren tot hun privéleven.

In de honderden en nog eens honderden brieven die ik kreeg toen ik laatst over dit onderwerp sprak, een maand of twee-drie geleden, zat er één terugkerend element dat grotendeels nieuw was, en dat ik onheilspellend vind. Alle Parlementsleden zijn gewend aan de typische anonieme briefschrijver; maar wat mij verraste en alarmeerde was het grote aandeel van gewone, fatsoenlijke en zinnige mensen, die rationele en welopgevoede brieven schreven, en die meenden dat zij hun adres beter konden weglaten, omdat het gevaarlijk was dat op papier te zetten in een brief aan een Parlementslid waarin zij zegden dat zij het eens waren met de denkbeelden die ik had ontwikkeld, en dat zij nadelen of represailles riskeerden als bekend zou raken dat zij dat deden.

Dat onder gewone Engelsen, in de betroffen buurten van het land, het gevoel groeit dat zij behoren tot een minderheid die achterna wordt gezeten, is iets waar diegenen die geen directe ervaringen hebben, zich nauwelijks een voorstelling van kunnen maken.
Ik zal één van die honderden mensen nu toelaten om in mijn plaats te spreken:

“Acht jaar geleden werd in een deftige straat in Wolverhampton een huis verkocht aan een zwarte. Nu woont daar nog één blanke (een vrouw met ouderdomspensioen). Dit is haar verhaal. Ze verloor haar man en haar twee zoons in de oorlog. Daarom maakte zij van haar woning, die zeven kamers telt, een pension. Zij werkte hard en de zaken gingen goed, ze betaalde haar hypotheek af en zette iets weg voor haar oude dag. Dan kwamen de immigranten. Met een bang hart zag zij hoe het ene na het andere huis werd ingenomen. De rustige straat werd een lawaaierige en wanordelijke plek. Met spijt trokken haar blanke huurders eruit.
“De dag nadat haar laatste huurder opstapte werd zij om zeven uur ’s ochtends gewekt door twee negers die haar telefoon wensten te gebruiken om hun werkgever te bellen. Toen zij dat weigerde, zoals zij elke onbekende zou hebben geweigerd op dat uur, werd zij uitgescholden en vreesde zij dat, mocht ze geen deurketting hebben gehad, zij aangevallen zou zijn. Immigrantenfamilies wilden kamers huren in haar huis, wat zij altijd weigerde. Haar luttele spaargeld smolt weg, en na betaling van haar gemeentetaksen houdt zij nog 2 pond per week over.
“Zij probeerde aanspraak maken op een lastenverlaging, en werd te woord gestaan door een jonge vrouw, die toen zij hoorde dat ze een zevenkamerwoning bezat, haar suggereerde om die deels te verhuren. Toen ze zei dat de enige huurders die zij kon krijgen negers waren, zei het meisje, “Met raciale vooroordelen schiet je niet op in dit land.” Dus ging ze naar huis.
“Haar telefoon is haar reddingslijn. Familieleden betalen de factuur, en springen zoveel als zij kunnen bij. Immigranten hebben haar aangeboden haar huis te kopen – voor een prijs die de gegadigde huisbaas in enkele weken, of hoogstens een paar maanden zou kunnen verhalen op zijn huurders. Ze wordt bang om de straat op te gaan. Vensterramen worden ingeslagen. Ze vindt uitwerpselen, die door haar brievenbus worden gepropt. Als ze inkopen gaat doen wordt zij gevolgd door kinderen, charmante, breed lachende negertjes. Engels spreken kunnen zij niet, maar één woord kennen ze toch. “Racist” zingen ze. Als de nieuwe wet op het racisme wordt goedgekeurd, dan is deze vrouw ervan overtuigd dat ze de gevangenis ingaat. En heeft ze het dan zo verkeerd voor? Ik begin het me af te vragen.”

De andere gevaarlijke zinsbegoocheling, waar diegenen aan lijden die gewild of ongewild blind blijven voor de realiteit, kun je samenvatten onder de term “integratie”. Geïntegreerd zijn in een bevolking betekent dat er in de praktijk geen onderscheid meer bestaat met de andere leden.
Nu, te allen tijde was het zo dat bij uitgesproken fysieke verschillen, huidskleur meer bepaald, de integratie moeizaam verloopt, maar op termijn niet onmogelijk is.

Onder de Commonwealth-immigranten die de laatste pakweg vijftien jaar hier zijn komen wonen, zijn er duizenden wier wens en bedoeling het is om zich te integreren, en die al hun gedachten en inspanningen daarop richten.
Maar je inbeelden dat zulke attitude opkomt in het hoofd van een grote en groeiende meerderheid van de immigranten en hun nakomelingen, dat berust op een belachelijke misvatting, en een gevaarlijke.
Wij staan hier vlak voor een kering. Tot dusver was het de door invloed van omstandigheden of door de achtergrond dat de idee van integratie onbereikbaar bleef voor het grootste deel van de immigrantenbevolking – dat ze daar nooit over dachten of nooit die bedoeling hadden, en dat hun aantallen en concentratie in bepaalde wijken meebracht dat de integratiedruk faalde, waar die op kleine minderheden normaal wel werkt.

Nu maken wij de groei mee van positieve krachten die de integratie tegenwerken, van gevestigde belangen, die het wenselijk achten om raciale en religieuze verschillen in stand te houden en aan te scherpen, met het oog op het uitoefenen van werkelijke heerschappij, eerst nog over mede-immigranten, en vervolgens over de rest van de bevolking. De wolk, niet groter dan een hand, die zo snel de hemel kan verduisteren zagen we laatst in Wolverhampton, en de tekenen zijn dat zij zich snel verbreidt. De woorden die ik nu in de mond zal nemen, verbatim zoals ze in de lokale pers verschenen op 17 februari, zijn niet de mijne maar die van een Labourparlementslid, minister in de huidige regering:

“De campagne van de Sikh-gemeenschap om gewoontes te blijven koesteren die in Groot-Brittannië niet te pas komen, is zeer betreurenswaardig. Als zij hier werken, en zeker in openbare diensten, dan moeten zij bereid zijn om de vereisten en voorwaarden te aanvaarden die bij hun baan horen. Aanspraak maken op speciale groepsrechten (of moeten wij zeggen -riten?) leidt tot een gevaarlijke fragmentatie binnen de maatschappij. Dit soort groepsdruk is een woekerend kwaad, en of die druk nu door de ene of de andere kleur wordt uitgeoefend, hij moeten streng worden veroordeeld.”

Alle eer aan John Stonehouse, die het doorzicht had om hier aandacht aan te schenken, en de moed had om het te zeggen.
Voor deze gevaarlijke en tweedracht zaaiende elementen, is de voorgestelde Wet op de Rassenrelaties het gedroomde voer, waarbij zij groeien als kool. Dit is precies het middel waarmee immigrantengemeenschappen kunnen laten zien dat zij zich kunnen organiseren en hun leden groeperen, om agitatie en campagne te voeren tegen hun medeburgers, en dezen te imponeren en te domineren met de wettelijke wapens die hen door onwetenden en slecht geïnformeerden ter hand zijn gesteld. Als ik vooruitblik, dan vervult mij een akelig voorgevoel; het lijkt of ik zie, zoals de Romein, “de Tiber schuimend van het bloed.”

Het tragische en hardnekkige fenomeen, dat wij vol afgrijzen bekijken aan de andere kant van de Atlantische oceaan, maar dat ginds is verweven met de geschiedenis en het bestaan zelf van de Verenigde Staten, halen wij zelf naar hier, naar onze eigen wil, en onze eigen nalatigheid. Numeriek gesproken zal het probleem, lang voor het eind van deze eeuw, Amerikaanse proporties hebben aangenomen.

Zelfs nu al kan enkel resolute en dringende actie dit nog verhoeden. Of de publieke wil aanwezig zal zijn om deze actie te vragen en te bekomen, weet ik niet.
Wat ik wél weet, is dat zien en toch niet spreken, bij uitstek een daad van groot verraad zou zijn.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html